Hosted by www.Geocities.ws

DR M. C. TER WEER

 

RAS EN KULTUUR

 

Daar nu de mensheid wordt ingedeeld in rassen, ligt het nu voor de hand te vragen, of er een verband bestaat tussen ras en cultuur en zo ja, van welke aard dit verband is.

 

Het thema is niet bepaald nieuw; vooral in de jongste tijd hebben veel schrijvers hun licht over deze zaak laten schijnen, zij het niet alle met evenveel succes.

 

Dat we het toch wagen iets over dit onderwerp in het midden te brengen, geschiedt in de volle overtuiging van niets nieuws te zeggen, maar met het vooropgezette doel de aandacht te vestigen op enkele punten, die door veel schrijvers over het hoofd gezien worden.

 

Wat is eigenlijk een ras? Men kan ras definiren als: “een aantal mensen, samenhangend door afstamming en met zekere gemeenschappelijke lichamelijke n geestelijke kenmerken.”

 

Wij zijn ons er van bewust, dat dit wat vaag is, maar tot scherper begripsbepaling van de grote afdelingen der mensheid zijn we voorlopig niet in staat. Op drie punten moet dus gelet worden: op de gemeenschappelijke afstamming – want anders zouden bijv. alle mensen met een bochel een apart ras vormen – verder op de lichamelijke en geestelijke kenmerken. Deze kenmerken kunnen tot twee groepen gebracht worden, n.l. de primaire eigenschappen en partiele of distributieve eigenschappen (indeling van Steinmetz).

 

De primaire eigenschappen zijn die, welke ieder lid van een ras bezit, bijv. de lichte huidskleur der Germanen, de donkere der negers. De distributieve eigenschappen zijn die, welke in een bepaald ras meer of minder vaak voorkomen, en het is juist dit punt, waarop niet genoeg de aandacht gevestigd kan worden, vooral wanneer er sprake is van geestelijke eigenschappen, die immers de cultuur en de gehele toekomst van een volk of ras bepalen. Op de frequentie van bepaalde eigenschappen komt het vooral aan. Om een voorbeeld te noemen: het maakt een geweldig verschil, of er in een bepaald volk veel of weinig energieke, begaafde, kloeke, stuwers naar een hogere cultuur voorkomen. Of er van dergelijke mensen n op honderd of n op miljoen voorkomen, is van alles overheersend belang voor het culturele peil en de prestaties van een groep, zowel op wetenschappelijk als op godsdienstig, politiek of sociaal gebied.

 

Het lijdt geen twijfel, of we zullen de verschillen tussen de rassen doe ongetwijfeld bestaan, vooral in de geestelijke eigenschappen moeten zoeken, meer nog dan in de lichamelijke verschillen. Wie dus mocht menen, dat rassenkwesties in de eerste plaats door biologen of medici behoren bestudeerd te worden, doet goed zich van het bovenstaande rekenschap te geven.

 

De innerlijke verschillen in aanleg en karakter tussen de grote afdelingen der mensheid zijn zoveel belangrijker dan de uiterlijke verschillen in pigmentatie, schedelindices en dergelijke. Er moet echter meteen aan toegevoegd worden, dat een systematisch onderzoek naar de geestelijke rasverschillen nog niet heeft plaats gevonden, de feitelijke rasindeling gaat van de lichamelijke verschillen uit. Het werk van Clausz geeft meer een typenindeling dan een werkelijke rassenpsychologie. Dat neemt niet weg, dat we wel degelijk psychische rasverschillen – en ook subrasverschillen – moeten aannemen, al zijn deze door gebrek aan goede onderzoekingsmethoden nog niet vastgelegd. Ten overvloede wijzen we er nog op, dat deze karakterverschillen vooral hun grond vinden in de distributieverschillen.

 

De rol, die ieder ras in de wereldgeschiedenis speelt – of nog zal spelen – is juist van dit laatste in sterke mate afhankelijk. Of alle rassen dezelfde hoogte van beschaving zullen kunnen bereiken, is een vraag, die hiermede nauw samenhangt. Ook kan men zich gemakkelijk vergissen in het geestelijk potentieel der rassen, getuige de geschiedenis van Japan in de laatste tachtig jaar. De mogelijkheid van Westerse cultuurovername door de Japanners, bleek ondanks de raciale verschillen zeer groot te zijn. Omgekeerd zijn er van de negerrassen geen grote culturele prestaties bekend, zij schiepen geen belangrijke kunstvoortbrengselen en stichtten geen grote staten. De rotstekeningen der Bosjesmannen – een apart ras – verraden evenwel een zekere mate van kunstzinnigheid. Het cultuurbezit der eskimo’s bijv. toont aan, hoe dit volk uitstekend opgewassen is tegen de hoogst ongunstige omgeving, waarin het leeft. Zoo zijn er vele voorbeelden aan de volkenkunde te ontlenen, waaruit blijkt, dat de culturele begaafdheid der rassen grote verschillen vertoont.

 

Op nog een oorzaak van dit verschil in culturele begaafd heid der rassen moet gewezen worden, n.l. op de verschillende combinaties van geestelijke eigenschappen, al valt er op dit punt ook nog veel onderzoekingswerk te doen. De allesbeheersende vraag is: welk psychisch type – wel samenstel van bepaalde geestelijke kenmerken – domineert in een bepaald ras. Opkomst, bloei en verval der culturen vinden hier een belangrijk deel van hun verklaring, al mag men natuurlijk de uiterlijke omstandigheden van geografisch en sociaal milieu niet verwaarlozen. Arm en machteloos zal de staat zijn, als de individuen, die hem samenstellen, slap en zwak zijn.

 

Het vaststellen der raskarakters is dus uitermate moeilijk en vordert een langdurige en geduldige onderzoekingsarbeid. Eerst dan kan men er toe overgaan, om naar een verband tussen ras en cultuur te gaan speuren. Dat dit verband aanwezig is, blijkt wel uit het feit, dat overgenomen cultuurelementen door ieder ras naar zijn eigen stijl verwerkt worden. De overneming geschiedt nu eenmaal nooit mechanisch; in dit opzicht zijn de grote afdelingen der mensheid niet gelijkwaardig, maar anderswaardig.

 

De culturele begaafdheid van een ras of volk hangt dus af van de distributie van bepaalde psychische eigenschappen en van het meer of minder vaak voorkomen van een gewenst type, dat een bepaalde aanleg vertoont of bepaalde karaktertrekken bezit. De aanleg voor schilderkunst in Nederland is geen primaire eigenschap, die alle Nederlanders bezitten – het lijkt er in de verste verte niet op – maar het type, dat deze aanleg vertoont, komt bij ons vaker voor dan bij laten we zeggen de Angelsaksische volken. En zo zijn er talloze andere voorbeelden te noemen. Voor de cultuur in zijn geheel is dit een voordeel, daar alleen hierdoor rijkdom van vormen en de nodige afwisseling gewaarborgd worden.

 

Vanzelfsprekend kan de staat dit alles niet onverschillig aanzien; zijn taak ligt in het beschermen en bevorderen van het goede en gewenste type en het elimineren van het ongewenste. Dit is cultureel van allesovertreffend belang. Op dit gebied heeft het liberalisme de zwaarste schuld op zich geladen. Eugenese en democratie bleken totaal onverenigbaar te zijn. Dit feit alleen al stempelde de democratie tot cultuurvijand nummer 1.

 

Het leek mij nuttig op deze punten nog eens de aandacht te vestigen. Ras opgevat als erfelijkheid is van machtige invloed op het gehele cultuurcomplex, een invloed die ten goede kan zijn, als het eugenetisch ideaal ten grondslag ligt aan de staatsbemoeiingen inzake ras en cultuur.

Hosted by www.Geocities.ws