NENASO Literatuur

Rijkskanselier Adolf Hitler

naar aanleiding der opening van de Rijksdag op 21 maart 1933

 

Mijnheer de Rijkspresident! Afgevaardigden, mannen en vrouwen van de Duitse Rijksdag!

 

Zware zorgen drukken sedert jaren op ons volk.

 

Na een tijd van trotse verheffing, rijken bloei en gedijen op alle gebieden van ons leven hebben - gelijk zo dikwijls in het verleden - weer nood en armoede hun intocht bij ons gedaan.

 

Ondanks vlijt en werklust, ondanks energie, een rijk weten en de besten wil zoeken miljoenen Duitsers tegenwoordig te vergeefs het dagelijks brood. Het bedrijfsleven verdort, de financiën zijn ontwricht, miljoenen zijn zonder werk.

 

De wereld kent slechts het uiterlijke schijnbeeld van onze steden, de nood en ellende ziet zij niet.

 

Sedert tweeduizend jaar wordt ons volk door dit wisselvallig lot begeleid. Telkens weer volgt op de bloei het verval. De oorzaken waren steeds dezelfden. De Duitser, in zichzelf vervallen, oneensgezind in de geest, veelvuldig gespleten in zijn wil en daardoor onmachtig in de daad, wordt krachteloos in zijn pogen, zich in het eigen leven staande te houden. Hij droomt van recht in de sterren en verliest de bodem op aarde.

 

Hoe meer echter volk en Rijk afbrokkelen en daardoor de stut en steun van het nationale leven zwakker wordt, des te meer beproefde men te allen tijde, de nood tot deugd te verheffen. De theorie van de individuele waarde van onze stammen onderdrukte de erkenning der noodzakelijkheid van een gemeenschappelijke wil. Ten slotte bleef de Duitse mens dan steeds slechts de weg naar binnen open. Als volk der zangers, dichters en denkers droomde het dan van een wereld, waarin de anderen leefden en pas als de nood en de ellende het onmenselijk geselden, ontsproot wellicht uit de kunst het heet verlangen naar een nieuwe verheffing, naar een nieuw Rijk en zo naar een nieuw leven.

 

Toen Bismarck het culturele streven van de Duitse natie liet volgen door de staatspolitieke vereniging, scheen daardoor voor altijd een lange tijd van onderlinge twist en oorlog der Duitse stammen te zijn afgesloten. Getrouw aan de keizerproclamatie nam ons volk deel aan de vermeerdering der goederen des vredes, der beschaving en der menselijke moraal. Het had het gevoel van zijn kracht nooit losgemaakt van de diepgevoelde verantwoording voor het gemeenschapsleven der Europese naties.

 

In dezen tijd der staats- en machtpolitieke vereniging der Duitse stammen viel het begin van die wereldbeschouwing der ontbinding van de Duitse volksgemeenschap, waaronder wij thans nog steeds lijden.

 

En dit innerlijk verval der natie werd weer opnieuw, gelijk zo dikwerf, tot bondgenoot van de buitenwereld. De revolutie van November 1918 maakte een einde aan een strijd, waarin de Duitse natie slechts was getrokken in de heiligste overtuiging, slechts haar vrijheid en dus haar levensrecht te beschermen.

 

De leugens van Duitslands schuld aan de oorlog.

 

Want noch de keizer, noch de regering, noch het volk hebben deze oorlog gewild. Alleen het verval van de natie, de algemene ineenstorting, dwongen een zwak geslacht, tegen eigen beter weten in en tegen de heiligste innerlijke overtuiging de bewering van onze schuld aan de oorlog te aanvaarden.

 

Op deze ineenstorting volgde echter het verval op alle gebieden. Machtpolitiek, moreel, cultureel en economisch zonk ons volk dieper en dieper.

 

Het ergste was de bewuste vernieling van het geloof aan eigen kracht, de ontering van onze tradities en daardoor de vernietiging der grondslagen van een vast vertrouwen.

 

Crisissen zonder einde hebben sedert dien ons volk ontwricht.

 

Maar ook de overige wereld is door het politieke en economische uitbreken van een belangrijke schakel van haar statengemeenschap niet gelukkiger en niet rijker geworden; Uit de waanzin der theorie van eeuwige overwinnaars en overwonnenen ontstond de waanzin van het Herstel en als gevolg de catastrofe van de wereldeconomie.

 

Terwijl zo het Duitse volk en Duitse Rijk in innerlijke tweestrijd en twist verzonken, het economisch leven de ellende tegemoet dreef, begon een nieuw verzamelen der Duitse mensen, die in gelovig vertrouwen op het eigen volk dit willen vormen tot een nieuwe gemeenschap.

 

Aan dit jonge Duitsland hebt Gij, mijnheer de veldmaarschalkgeneraal, 30 Januari 1933 in een edelmoedig besluit de leiding van het Kijk toevertrouwd.

 

Appèl aan de natie.

 

In de overtuiging, dat echter ook het volk zelf zijn toestemming moet verlenen aan de nieuwe regeling van het Duitse leven, richtten wij mannen van deze nationale regering een laatste appèl aan de Duitse natie.

 

Op 5 Maart heeft het Duitse volk beslist en zich in zijn meerderheid tot ons bekend. In een verheffing, enig in haar soort, heeft het in weinige weken de nationale eer hersteld en dank zij Uw begrijpen, mijnheer de Rijkspresident, het huwelijk voltrokken tussen de symbolen van de oude grootheid en de jonge kracht.

 

Terwijl echter thans de nationale regering op dit plechtig uur voor de eerste keer voor de nieuwen Rijksdag treedt, doet zij tegelijkertijd konde van haar onwrikbare wil, -om het grote werk der reorganisatie van het Duitse volk en het Rijk te beginnen en vastberaden ten uitvoer te brengen.

 

In het bewustzijn, te handelen in de zin van de wil der natie, verwacht de nationale regering van de partijen der volksvertegenwoordiging, dat zij na vijftienjarigen Duitse nood zich mogen verheffen boven de benepenheid van een doctrinair partijmatig denken, om zich te schikken onder de ijzeren dwang, dien de nood en zijn dreigende gevolgen ons allen opleggen.

 

Want het werk, dat het lot van ons eist, moet zich torenhoog verheffen boven het raam en het wezen van de noodhulp der politiek van de dag.

 

Wij willen herstellen de eenheid van geest en wil der Duitse natie!

 

Wij willen handhaven de eeuwige fundamenten van ons leven: Ons volksdom en de daaraan gegeven krachten en waarden.

 

Wij willen de organisatie en de leiding van onzen staat weer onderwerpen aan de grondbeginselen, die in alle tijden de voorwaarden voor de grootheid der volken en rijken zijn geweest.

 

Wij willen het vertrouwen op de gezonde, wijl natuurlijke en juiste grondslagen van de levenswandel verbinden met een bestendigheid der politieke ontwikkeling naar binnen en buiten.

 

Wij willen in plaats van het eeuwige wankelen zetten de vastheid ener regering, die ons volk daarmede weer een niet te schokken autoriteit zal geven.

 

Wij willen rekening houden met alle ervaringen, zowel in het leven van de enkeling en in het gemeenschapsleven, als ook in het bedrijfsleven, die in duizenden jaren gebleken zijn nuttig voor de welvaart der mensen te zijn.

 

Wij willen herstellen het primaat der politiek, die geroepen is, om de levensstrijd der natie te organiseren en te leiden.

 

Wij willen echter ook alle werkelijk levende krachten des volks als de dragende factoren der Duitse toekomst samenvatten, willen ons redelijk moeite geven, om hen bijeen te voegen, die van goede wil zijn en hen onschadelijk te maken, die trachten het Duitse volk te benadelen.

 

Opbouwen willen wij een andere gemeenschap uit de Duitse stammen, uit de standen, de beroepen en wat tot dusver klassen waren. Deze moet bekwaam zijn tot het scheppen van het evenwicht der levensbelangen, dat de toekomst van het gezamenlijke volk vereist. Uit boeren, burgers en arbeiders moet weer ontstaan een Duits volk.

 

Het zal dan voor eeuwige tijden in zijn trouwe hoede nemen ons geloof en onze beschaving, onze eer en onze vrijheid.

 

Ten overstaan van de wereld willen echter wij, afmetend de offers van de oorlog van weleer, oprechte vrienden zijn van een vrede, die eindelijk de wonden moet helen, waaronder allen lijden.

 

De regering der nationale verheffing heeft besloten, de voor het Duitse volk op zich genomen taak te vervullen. Zij treedt daarom heden voor de Duitsen Rijksdag met de warme wens, daarin een steun te vinden voor de volbrenging van haar missie. Moogt Gij, mannen en vrouwen, als gekozen vertegenwoordigers des volks de zin des tijds bevroeden, om mede te helpen aan het grote werk der nationale heropheffing.

 

Hindenburg als symbool.

 

In ons midden bevindt zich heden een grijs hoofd. Wij verheffen ons voor U, mijnheer de veldmaarschalkgeneraal (van onze zetels).

 

Driemaal hebt Gij op het veld van eer voor het bestaan en de toekomst van ons volk gestreden.

 

Als luitenant in de legers des konings voor de Duitse eenheid, in de legers van de ouden Duitse keizer voor de glansrijke oprichting van het Rijk, in de grootste oorlog van alle tijden echter als onze veldmaarschalkgeneraal voor het behoud van het Rijk en voor de vrijheid van ons volk.

 

Gij hebt eens de wording van het Rijk beleefd, zaagt voor U nog het werk van de Grote Kanselier, de wonderbaarlijke opkomst van ons volk en hebt ten slotte ons aangevoerd in de grote tijd, dien het Lot ons zelf liet medeleven en doorvechten.

 

Hindenburg beschermheer der nationale verheffing.

 

Thans, mijnheer de veldmaarschalkgeneraal, laat de Voorzienigheid U beschermheer zijn over de nieuwe verheffing van ons volk. Dit Uw wonderbaarlijk leven is voor ons allen een symbool der onverwoestelijke levenskracht der Duitse natie. Daarom dankt U de jeugd onder het Duitse volk en wij allen mede, die wij Uw toestemming tot het werk der Duitse verheffing als zegening gevoelen. Moge deze kracht ook mededelen aan de thans geopende nieuwe vertegenwoordiging van ons volk.

 

Moge dan echter ook de Voorzienigheid ons verlenen de moed en de vasthoudendheid, die wij op deze voor eiken Duitser geheiligde plek om ons bespeuren als voor de vrijheid en grootheid van ons volk worstelende mensen aan de voeten van de baar zijns grootste konings.

Hosted by www.Geocities.ws