NENASO Literatuur

Rijkskanselier Adolf Hitler
op het congres van het Duitse arbeidsfront te Berlijn op 10 Mei 1933.

Grote omwentelingen kunnen in het leven der volken niet voorkomen, als niet - zo zou ik haast willen zeggen - daartoe een dringende behoefte bestaat.

Men kan geen werkelijk diep ingrijpende revolutie maken, als niet het volk innerlijk naar zulk een revolutie snakt,

als niet bepaalde toestanden gewoonweg naar zulk een revolutie heendringen. De staatsvorm uiterlijk te wijzigen, is gemakkelijk. Een volk innerlijk om te vormen kan steeds slechts dan slagen, als een bepaald ontwikkelingsproces zichzelf min of meer op heeft gemaakt, als een volk de weg, dien het heeft ingeslagen, zelf reeds - zo ook misschien niet geheel duidelijk, dan toch in het onderbewustzijn - als verkeerd gevoelt, hem gaarne zou willen verlaten en alleen wegens de logheid en traagheid der massa de nieuwen weg niet kan vinden, tot van hier of daar de aanstoot komt, of een beweging, die reeds de nieuwen weg heeft gezien, nu op een goeden dag het volk op dezen nieuwen weg dwingt. Het mag op het eerste ogenblik misschien willen of schijnbaar niet willen - het zal de weg dan toch gaan, als het innerlijk bewust of onbewust reeds het gevoel koestert, dat het tot dusver gevolgde pad per slot van rekening toch niet het juiste is. Onder alle crisissen, waaronder wij lijden, en die immers slechts een samenhangend beeld vormen, is wellicht voor het volk zelf de gevoeligste de

economische crisis.

De politieke, de morele crisis worden door de enkeling slechts zeer zelden gevoeld. De doorsneemens ziet in zijn tijd niet dat, wat het algemeen treft, doch meestal slechts dat, wat hemzelf slaat. Daarom zal ook het heden slechts zeer zelden begrip hebben van het politieke of morele verval, zolang dit verval zich niet op de een of andere wijze uitbreidt op het economische leven. Maar als dit echter geschiedt, gaat het echter niet langer om het een of andere abstracte probleem, dat men te derder plaatse wellicht kan waarnemen of bestuderen, doch nu wordt op een goeden dag de enkeling zelf door dit vraagstuk gepakt, en juist in de omvang, waarin zulk een crisis zich in hem begint uit te werken, groeit zijn inzicht van de onhoudbaarheid der bestaande toestanden. Dan spreekt men plotseling over een economische nood, over een economische ellende en dan is het ook mogelijk, uitgaand van dezen nood, het begrip van dien nood te wekken, dat anders de afzonderlijken mens langen tijd verborgen pleegt te blijven.

Het is echter natuurlijk, dat ook de economische nood niet onmiddellijk in zijn meest verschillende oorzaken wordt begrepen, dat men ook hier niet zonder meer alles ziet, wat, samenwerkend, ten slotte dezen nood teweegbrengt. Het is ook hier begrijpelijk, dat voorshands ieder de schuld bij de ander pleegt te zoeken en dat hij in het bijzonder gaarne de algemeenheid, corporaties enz. zou willen verantwoordelijk maken voor hetgeen hij in werkelijkheid zelf mede te verantwoorden heeft. Het is dan een groot geluk, als men er langzamerhand in slaagt, zulk een nood zodanig op te helderen, dat voor steeds meer mensen de werkelijke oorzaken zichtbaar te voorschijn treden; want dat is noodzakelijk, om ook de wegen ter genezing te vinden.

Het is niet voldoende te zeggen, dat de Duitse economische nood zo iets als een begeleidend verschijnsel van een wereldcrisis, dat de economische nood overal is; want precies zo kan natuurlijk elk ander volk dezelfde verontschuldiging en dezelfde verklaring voor zijn nood vinden. Het is echter duidelijk, dat ook dan deze nood niet hier of daar in de wereld zijn wortel kan hebben, doch steeds weer in de volken zelf. En maar één ding is waarschijnlijk, dat deze wortel wellicht bij vele volken dezelfde zal zijn, dat men echter niet mag hopen, door alleen maar te constateren, dat een bepaalde nood een trek des tijds is, dezen nood ook de baas te worden. Doch het is duidelijk, dat het nodig is, in het inwendige van een volk deze wortels bloot te leggen en de nood daar te helen, waar men hem werkelijk helen kan.

Helaas heeft echter juist de Duitser maar al te zeer aanleg, om in zulke tijden de blik in plaats van in zijn eigen binnenste te slaan, in de verte te laten dolen. De lange opvoeding van ons volk tot internationale opvattingen verleidt het ertoe, ook in zulk een nood zich volgens internationale gezichtspunten met dit probleem bezig te houden. Ja, zij leidts ertoe, dat velen onder ons in 't geheel niet geloven, dat men een dergelijk ongeluk anders dan door internationale methoden wellicht zou kunnen tegengaan. En niettemin is dat verkeerd. Het is natuurlijk, dat internationale gebreken, die alle volken op de een of andere wijze belasten, ook door deze volken moeten worden opgeheven. Maar dat verandert niets aan het feit, dat elk volk voor zich dezen strijd moet aanvaarden en dat vooral niet een volk wordt bevrijd van dezen nood door internationale maatregelen, als het niet uit zichzelf de nodige maatregelen treft.

In het raam van internationale maatregelen kunnen van zelf sprekend ook de eigen liggen. Maar dit eigen handelen mag niet afhankelijk worden gemaakt van het handelen der anderen.

De crisis van het Duitse bedrijfsleven is niet slechts een crisis, die zich uitdrukt in onze bedrijfscijfers, doch zij is in de eerste plaats een crisis, die zich uitdrukt in het innerlijk verloop, in de wijze van organisatie enz. van ons economisch leven. En hier kunnen wij wel spreken van een crisis, die ons volk meer heeft getroffen, dan andere volken.

Het is de crisis, die wij zien in de verhouding tussen kapitaal, bedrijfsleven en volk.

Bijzonder kras zien wij deze crisis in de verhouding van onzen werknemer tot onzen werkgever. Hier heeft de crisis een hoogtepunt bereikt, gelijk in geen ander land der wereld. Als deze crisis niet wordt opgelost, zullen alle andere pogingen, om de economische nood de baas te worden, op de duur te vergeefs zijn.

Als wij de Duitse arbeidersbeweging zo, als zij zich in verloop van de laatste halve eeuw heeft ontwikkeld, naar haar innerlijkste wezen onderzoeken, zullen wij op drie oorzaken stoten, die deze eigenaardige ontwikkeling hebben bewerkt.

De eiste oorzaak ligt in de wijziging van de vorm van ons bedrijfsleven op zichzelf.

Deze zien wij in de ganse wereld evenals in Duitsland. te voorschijn treden. In het begin van de vorige eeuw en progressief in deze periode heeft een omvorming plaats van onze vroegere - ik zou willen zeggen - kleinburgerlijke bedrijfsvorm in de richting van industrialisatie en daarmede gaat de patriarchale verhouding tussen werknemer en werkgever definitief verloren. Bespoedigd wordt dit proces van het ogenblik af, waarop het aandeel in de plaats van het persoonlijk bezit treedt. Wij zien nu het begin van een vervreemding tussen de scheppende mens met het hoofd en de scheppende mens met de hand, want dat is per slot van rekening het enige werkelijk beslissende onderscheid.

Niet het woord bezit op zichzelf kan hier als karakteristiek worden beschouwd; want wij weten, dat een ontelbaar aantal der mannen, die onze productie hebben gegrondvest, geenszins oorspronkelijk uit het bezit zijn voortgekomen, doch uit de arbeid, dat zich in hen slechts de kracht van de vuist tegelijker tijd uitbreidde tot de genialiteit van de geest, dat zij door God begenadigde uitvinders, door God begenadigde organisatoren zijn geweest, aan wie wij, mijn volksgenoten, mede ons leven te danken hebben, want zonder de bekwaamheid van deze mannen ware ons de voeding en het behoud van 65 miljoen mensen op ons beperkt woongebied nooit mogelijk geweest.

Wij zouden anders exportland zijn gebleven, exportland" van ruwe arbeidskracht en tevens echter ook vanzelfsprekend van de daaronder steeds verborgen geest: beschavingsmest voor de andere wereld. Dat dit zich heeft veranderd hebben wij te danken aan het ontelbaar aantal mannen van ons volk, die zich uit de diepte hebben opgewerkt naar boven en nu door hun bekwaamheid, door hun genialiteit miljoenen mensen brood konden verschaffen en verzekeren. Het is dus niet zo, dat wij van te voren kunnen zeggen: Ondernemer en werknemer. Doch het resultaat is slechts, dat zich de geest als steeds in het menselijk leven bevelend boven de gewone kracht verheft. Deze geest is bij ons echter geenszins een voorrecht van de geboorte geweest, doch wij vinden dien in al onze levenslagen, in alle levensposities. Men kan werkelijk zeggen, dat het Duitse volk in al zijn gelederen hieraan heeft bijgedragen.

Het uiteenvallen nu, dat wij langzamerhand konden waarnemen, leidde ertoe, dat aan de enen kant bijzondere belangen van de werknemers te voorschijn traden en daarmede begon het ongeluk van onze economische ontwikkeling. Toen men dezen weg eenmaal insloeg, moest deze noodgedrongen steeds verder uit elkander leiden. Hier heerst een wet:

Als men eenmaal een bepaalden weg, die een dwaalweg is, betreden heeft, voert die weg ons steeds verder van het gezond verstand. Dat hebben wij 70 jaar lang in de praktijk beleefd. De weg verwijderde zich in al zijn consequenties zozeer van het natuurlijk verstand, dat de denkenden, die zelf leiders op dezen weg waren, op zichzelf genomen en gevraagd zonder meer de waanzin van dezen weg toe moesten geven. En zij hebben dat ook als enkelingen steeds toegegeven. Alleen in de dwang der organisatie konden zij de weg naar het gezond verstand niet meer terugvinden.

In tegendeel: Oorzakelijk leidde de weg uit elkander, begunstigd - gelijk gezegd - door het

onpersoonlijk worden van het bezit.

Het wordt zodoende - zou ik bijna willen zeggen - ook nog wetenschappelijk schijnbaar verstijfd en bevestigd. Er ontstaat langzamerhand een ideologie, die gelooft, het begrip van de eigendom op de duur te kunnen handhaven, ook als de praktische vruchtgebruikers van dit begrip nog slechts een minimaal percentage van de natie uitmaken. En omgekeerd ontstond de mening, dat aangezien nog slechts een gering percentage praktische vruchtgebruikers is, het begrip eigendom zelf moest worden verworpen. Daaruit ontstond de eindeloze discussie en de oorlog om het begrip particulier eigendom en om „eigendom" op zichzelf. Als gevolg leidde deze strijd tot een steeds verdere vervreemding der beide exponenten in het economische leven.

Wat zich thans ontwikkelt, is ten dele wederom onnatuurlijk. Als eenmaal de beide belanghebbenden hun taak geestelijk niet meer als gemeenschappelijk beschouwen, is het duidelijk, dat tegenover de ondernemer nog slechts de georganiseerde werknemer kan bestaan, dan is het van zelf sprekend, dat tegenover de kracht, die zich dan toch in de ondernemer representeert, slechts de tezamen gevatte kracht van de werknemer kan worden geplaatst.

Als men zich eerst eenmaal op dezen weg begeeft, moet logischerwijze de organisatie der werknemers worden geplaatst tegenover de organisatie der ondernemers. Van zelf sprekend zullen zich nu deze beide organisaties niet duldend met elkander bezighouden, doch hun schijnbaar gescheiden belangen voorstaan met de strijdmiddelen, die hun zijn gegeven, d. w. z. uitsluiting en staking. In dezen strijd zal menigmaal de ene, menigmaal de andere partij overwinnen. In beide gevallen zal de gezamenlijke natie de prijs van de strijd betalen, de schade te dragen hebben.

Dit leidt er echter eindelijk toe, dat de zich nu opbouwende organisaties, bij de aanleg van de Duitser tot bureaucratie, steeds gecompliceerder worden en een steeds groter apparaat ontstaat. En ten slotte zal nu niet meer het apparaat de belanghebbenden dienen, doch de belanghebbenden zullen hét apparaat te dienen hebben, zodat de strijd verder wordt gevoerd, opdat het bestaan van het apparaat kan worden gemotiveerd, zelfs als menigmaal het verstand plotseling komt en zegt: dat is toch allemaal waanzin, gemeten aan de offers is de winst direct belachelijk; bij elkaar genomen zijn de offers, die wij voor het apparaat brengen, veel groter, dan het mogelijke voordeel. Dan zullen de apparaten pas goed weer hebben te bewijzen, hoe nodig zij zijn, doordat zij de wederkerige strijd der belanghebbenden opstoken. En dan kan het zeer zeker zelfs geschieden, dat in erkenning daarvan de apparaten zich onderling verzoenen.

Dat betekent: Apparaat A. zegt: Ik ben blij, dat apparaat B. er is; want ik vind steeds wegen, om met apparaat B. van gedachten te wisselen. Als dit apparaat B. er niet was, doch in plaats daarvan eerlijke fanatici streden - dan was het veel erger! De mensen van apparaat B. kennen wij op een haar en wij weten, hoe wij met hen om moeten gaan. Hier vindt men de weg wel. Men geve de keizer, wat des keizers is en het volk, wat des volks is - en de vakvereniging, wat der vakvereniging is.

Dan vindt men wel een weg, om „vreedzaam" met elkander overweg te kunnen. Het geheel wordt menigmaal een lelijke komedie; men blaft zich wederkerig aan, met bestrijdt elkander wederkerig, maar brengt elkander ten slotte natuurlijk niet om - dat kan men niet; want anders zouden noch de vakverenigingen, noch de ondernemersbonden kunnen bestaan! Ten slotte leeft alles ten koste van het algemeen.

Deze strijd, die tot een oneindige verkwisting aan middelen, werkkracht enz. leidt, is de ene oorzaak van de catastrofe, die langzaam, maar zeker naderde.

De tweede oorzaak is de opkomst van het Marxisme.

Het Marxisme als wereldopvatting der decompositie heeft met scherpen blik in de vakbeweging de mogelijkheid ontdekt, om de aanval tegen de Staat en de menselijke maatschappij thans met een absoluut vernietigend wapen te voeren. Geenszins om den arbeider te helpen - wat is de arbeider van welk land dan ook voor deze internationale apostels? In 't geheel niets!

Zij zien hem niet! Dat zijn geen arbeiders, het zijn aan het volk vreemde literaten, aan het volk vreemd tuig!

Zij hebben heel goed ingezien, dat men met de vakbeweging bij vriendelijkste bevordering der excessen aan de anderen kant het eerst in staat is, zich een instrument te verschaffen, dat de strijd evenzo voert, als het hen omgekeerd ook voedt. Want in al die tientallen jaren heeft de politieke sociaaldemocratie zich gevoed van dezen strijd en van deze strijdinrichting.

Men moest de vakvereniging de gedachte inenten: Gij zijt een instrument van de klassenstrijd - en die vindt per saldo zijn politieke leiding alleen in het Marxisme. Wat is dan begrijpelijker, dan dat men aan die leiding ook de tol betaalt! En die tol is dan ook rijkelijk geïnd geworden! De heren hebben zich niet vergenoegd met de tienden penning, doch met aanzienlijk hogere schattingen.

Deze klassenstrijd leidt tot proclamatie van de vakvereniging tot zuiver instrument voor de verdediging van economische belangen der arbeiders en zodoende voor het doel van de algemene staking. De algemene werkstaking treedt hiermede voor de eerste keer als politiek machtmiddel te voorschijn en toont, wat het Marxisme zich in werkelijkheid van dit wapen heeft gehoopt: niet soms een middel tot redding van de arbeider, doch in tegendeel alleen een strijdinstrument ter vernietiging van de tegenover het Marxisme standen Staat. Hoever deze gezamenlijke waanzin kon gaan, daarvoor hebben wij Duitsers een ongehoord, even vreselijk als leerrijk voorbeeld: de oorlog.

Tegenwoordig treden talrijke sociaaldemocratische leiders, innerlijk volkomen veranderd door de nieuwen geest van de nieuwen tijd, mij tegemoet en houden mij met ietwat wankelend geheugen voor: Ja, de sociaaldemocratie heeft indertijd ook in het veld gestreden.

Neen, het Marxisme heeft nooit gestreden, wel echter heeft de Duitse arbeider gevochten!

In het jaar 1914 is de Duitse arbeider in een plotseling innerlijk - ik zou haast willen zeggen: helderziend - inzicht van het Marxisme weg en naar zijn volk toegegaan. De leiders van het Marxisme, die dit noodlot zagen naderen, konden het niet tegenhouden. Enigen onder hen, zeer weinigen, zijn ook wel in dit uur met hun hart naar hun volk teruggekeerd. Wij weten immers, dat een groot man, die thans, wij kunnen wel zeggen: beslissend in de wereldgeschiedenis heeft ingegrepen, Benito Mussolini, op dat uur van inzicht de weg naar zijn volk terug heeft gevonden. In Duitsland zijn er ook enigen geweest. De grote massa der politieke leiders heeft nu echter geenszins, in overeenstemming met de geweldigen ommekeer in de Duitse arbeider, ook voor zich de consequenties getrokken, zij gingen nu maar niet vrijwillig ook onmiddellijk naar het front; deze geestelijke innerlijke verandering is hun ondanks alle tegenwoordige betuigingen toen blijkbaar gespaard gebleven: Arbeiders zijn gevallen - de leiders hebben zich voor 99 percent zorgvuldig geconserveerd!

Zij hebben niet het percentage aan doden en gewonden geleverd, dat wij overigens in het ganse volk zien. Zij hebben hun politieke werkzaamheid belangrijker geacht. Toentertijd, in 1914/15, zagen zij hun taak in voorzichtige terughouding, later in het afcommanderen van bepaalde afzonderlijke buitenstaanders, zij zagen hun taak in een zich langzamerhand reserveren tegenover de nationale taak. Eindelijk kwam de vervulling in de revolutie.

Wij kunnen hierover slechts dit ene zeggen:

Ware in de oorlog de Duitse vakbeweging in onze handen geweest, ware zij toen mijnentwege in mijn hand geweest, ook al was zij met hetzelfde dwaaldoel opgebouwd, als inderdaad het geval is geweest, dan hadden wij nationaal-socialisten toentertijd deze reuzenorganisatie in dienst van het vaderland gesteld. Wij zouden hebben verklaard: Wij kennen natuurlijk de offers, wij zijn bereid, deze zelf te dragen, wij willen niet uitknijpen, doch wij willen absoluut meestrijden, wij geven ons lot en leven in de hand van de almachtige Voorzienigheid, zoals de anderen ook moeten doen. Dat hadden wij zonder meer gedaan.

Want, Duitse arbeider, gij moet inzien: Thans wordt niet beslist over Duitsland als Staat, niet over het keizerrijk als staatsvorm, niet over de monarchie wordt beslist, niet over het kapitalisme wordt beslist, niet over het militarisme, doch beslist wordt over zijn of niet-zijn van ons volk en wij Duitse arbeiders maken 70 percent van dit volk uit. Over ons wordt beslist!

Dat moest men toen weten en men kon het ook weten. Wij zouden het geweten hebben. Wij hadden allen voor ons eigen leven de consequenties getrokken en hadden toen van zelf sprekend ook de consequenties voor de vakbeweging getrokken. Wij hadden verklaard: Duitse arbeider, wij willen uw rechten voorstaan! Zeer zeker zouden wij dienovereenkomstig in dien tijd dikwijls tegen de Staat front hebben gemaakt, d. w. z., wij hadden tegen het euvel en het schaamteloos gedoe van de oorlogsmaatschappijen geprotesteerd.

Wij zouden hebben geprotesteerd tegen dit zwendelaarsrapaille en zouden ervoor hebben gewerkt, dat men dit tuig, zo nodig met stroppen, tot rede bracht.
Wij zouden precies zo elkeen hebben neergeworpen, die soms het vaderland zijn dienst onttrokken of geweigerd had. Wij hadden verklaard: Doordat wij hier front maken, willen wij niets anders, dan de overwinning van ons volk; want dat is niet de overwinning van een staatsvorm, doch dat is de zege tot behoud van ons leven. En als wij de oorlog verliezen, dan hebben wij niet een staatsvorm verloren, doch miljoenen mensen van ons zullen brodeloos zijn. En de eersten, die brodeloos worden, zullen niet de kapitalisten en miljonairs zijn, doch de handarbeiders, de armzalige massa.

Het was een misdaad, dat men niet zo handelde. Men deed het niet, omdat het immers had ingedruist tegen de innerlijke zin van het Marxisme; want dat wilde niets anders, dan Duitsland vernietigen. Het wachtte zolang, tot men geloofde, dat volk en Rijk, vermurwd door de overmacht, geen stand meer zouden kunnen houden tegen de aanvallen van binnen. Toen viel men aan.

En men heeft Duitsland verslagen en heeft daarmede in de eerste plaats en het zwaarst de Duitse arbeider geslagen!

De som van nood, leed en ellende, die sedert dien door miljoenen kleine arbeidersgezinnen en kleine huishoudens is getrokken, kunnen de misdadigers van November 1918 niet verantwoorden. Zij moeten zich daarom nu ook over niets beklagen. Vergelding hebben wij niet geoefend. Als wij vergelding wilden oefenen - dan hadden wij hen bij tienduizenden moeten doodslaan!

Zij praten er zoveel over, dat ook de sociaaldemocraten in het veld hebben gestaan. De Duitse arbeiders hebben in het veld gestaan! Maar zelfs als zij toen in de een of andere beneveldheid nog sociaaldemocratisch hadden gevoeld - het was niet het geval en ieder, die als soldaat aan het front is geweest, weet, dat toen niemand aan een partij heeft gedacht - zelfs als dat het geval was geweest: Hoe gemeen van deze leiders, dat zij dan hun eigen mensen, die de offers van deze worsteling droegen, om de vruchten van deze offers hebben gebracht, dat zij zodoende zelfs hun eigen mensen bestalen om al dat leed, om al die noden, om doodsangst, kwelling, honger en slaapontbering. Zij kunnen in 't geheel niet meer goedmaken, wat zij door deze misdaad ons volk hebben aangedaan. En zij kunnen vooral nooit meer goedmaken, dat zij tientallen jaren lang de Duitse arbeider in een steeds vreselijker geestelijke isolering leidden, hem in November 1918 door die gemene streek van kleinste onverantwoordelijke groepen belastten met een daad, waarvoor hij niet verantwoordelijk gemaakt kon worden. Want sedert de dagen van November 1918 is bij miljoenen Duitsers de mening ontstaan, dat de Duitse arbeider schuldig is aan de ineenstorting. Hij, die zelf zo onuitsprekelijke offers heeft gebracht, die onze regimenten met de miljoenen zijner musketiers vulde, werd nu plotseling als verzamelbegrip verantwoordelijk gemaakt voor de daad der meinedige, leugenachtige en diep gezonken vernietigers van het vaderland. Dat was het ergste, wat er kon gebeuren. Want op dat ogenblik brak voor vele miljoenen mensen in Duitsland de volksgemeenschap. Miljoenen vertwijfelden, anderen staarden dof voor zich uit, konden de weg naar hun volk niet meer terugvinden. Met de volksgemeenschap brak oorzakelijk het Duitse bedrijfsleven. Want het bedrijfsleven is ook geen op zichzelf staand iets, doch het is een levend gebeuren, een der functies van het volkslichaam en zijn handelen en zijn geheel verloop wordt door mensen bepaald. Als de mensen op deze wijze vernietigd worden, mag men zich er ook niet over verbazen, als langzaam ook het bedrijfsleven in zijn geheel vernietigd wordt. De waanzin in het denken van de enkeling voegt zich tezaam tot waanzin in het denken van het geheel en vernielt eindelijk iets, waarvan de vernieling het geheel zelf weer ten zeerste benadeelt.

De derde oorzaak voor de rampzalige ontwikkeling ligt in de Staat zelf.

Iets was er geweest, dat wellicht tegenover deze miljoenen geplaatst had kunnen worden: dat ware de Staat geweest, als deze Staat niet zelf tot speelbal van de belangengroepen was afgedaald. Het is geen toeval, dat de gezamenlijke ontwikkeling evenwijdig loopt met de democratisering van ons openbaar leven. Deze democratisering leidde ertoe, dat voorshands de Staat kwam in de hand van bepaalde maatschappelijke kringen, die zich identificeerden met het bezit als zodanig, met het ondernemerdom als zodanig. Het brede volk verkreeg steeds meer het gevoel, dat de Staat zelf geen objectieve, boven de verschijnselen staande instelling was, dat hij vooral geen objectieve autoriteit meer belichaamde, doch dat de Staat zelf het uitvloeisel was van de economische wil en de economische belangen van bepaalde groepen in de natie en dat ook de leiding van de Staat een dergelijke bewering rechtvaardigde. De overwinning van het politieke burgerdom was immers niets anders, dan de overwinning van een uit economische wetten ontstane maatschappelijke kring, die van zijn kant niet de geringste kwaliteiten voor een werkelijke politieke leiding bezat, die vooral de politieke leiding afhankelijk maakte van de eeuwig wisselende verschijnselen van het economische leven en de uitwerkingen van dit economische leven op het gebied der massabeïnvloeding, de bewerking van de openbare mening enz. Met andere woorden: Het volk had terecht het gevoel, dat op alle gebieden van het leven een natuurlijke selectie plaatsvindt, steeds uitgaande van de geschiktheid voor dit bepaalde levensgebied, slechts op één gebied niet: op het gebied van de politieke leiding. Op het gebied van de politieke leiding ging men plotseling over tot een selectieresultaat, dat zijn bestaan te danken had aan een geheel ander proces.

Terwijl het natuurlijk is, dat onder soldaten slechts hij leider kan zijn, die daartoe werd opgeleid, was het niet van zelf sprekend, dat politiek leider slechts kan zijn, wie op dit gebied zijn opleiding ontvangt en in 't bijzonder zijn bevoegdheid bewezen heeft, doch langzamerhand verspreidde zich de mening, dat het behoren tot een bepaalde, uit economische wetten ontstane levensklasse ook tegelijker tijd de politieke bevoegdheid inhield, om een volk te regeren. Wij hebben de gevolgen van deze dwaling leren kennen. De kring, die zich deze leiding aanmatigde, heeft op elk kritiek uur gefaald en in de zwaarste stonde van de natie is hij jammerlijk ineengestort.

Elk Duits bataljon heeft iets anders gepresteerd. Men bedenke, dat dit ons volk toen nog miljoenen mensen tegenover de vijand had staan en ieder weet, wat het aan energie en vastberadenheid in elk afzonderlijk geval betekende, om een troep - laat ons zeggen - van de reserve weer naar voren tegen de vijand te leiden - steeds de dood voor ogen in de vuurlinie op te marcheren en niet te wankelen. En thuis, daar wijkt een politieke leiding en stort ineen voor een hoop erbarmelijke deserteurs, die te laf waren, om tegenover de vijand te staan en het vaderland capituleert voor deze lafaards. Men zegge in geen geval, dat er geen andere weg was. Alleen voor deze leiding is er geen andere weg geweest!

Voor elke andere leiding ware de weg duidelijk afgetekend geweest en had later ook niet de uitvlucht bestaan, dat op het een of andere bevel, dat van boven was gekomen, gecapituleerd had moeten worden. In zekere ogenblikken van de historische ontwikkeling bestaan er geen bevelen, die de mens of een staatsleiding zouden kunnen verplichten, om voor het onheil te capituleren, laat staan voor de minderwaardigheid het veld te ruimen.

Ik geloof wel, dat, als één het recht had gehad tot capituleren, dan was het in duizend en nog eens duizend gevallen de Duitse soldaat geweest, die het ongeluk bezat, dankzij een onverstandige Duitse diplomatie 4% jaar lang steeds tegenover een overmacht te moeten staan en die niettemin - in het beste geloof, voor zijn volk te strijden - geen andere consequentie trok, dan die, welke een fatsoenlijk soldaat alleen kan trekken: te overwinnen of te sterven.

Neen, het is geen toeval geweest: een verkeerde ontwikkeling heeft 9 November definitief bewezen, een verkeerde ontwikkeling te zijn, een dwaalconstructie heeft zich dien dag definitief als dwaalconstructie getoond en het was slechts een kwestie van tijd, of deze dwaalconstructie Duitsland uiteindelijk te gronde zou richten, dan wel of uit Duitsland nog eenmaal de kracht zou komen, om die verkeerde constructie te overwinnen. Ik geloof, dat wij ons bevinden in de periode, waarin deze constructie definitief overwonnen is.

Wij bevinden ons daarmede echter ook in de periode, waarin wij het vraagstuk van de herbouw van ons Duits bedrijfsleven niet slechts grondig overleggen, doch ook grondig oplossen moeten, niet uiterlijk en van boven af gezien, doch de innerlijke oorzaken van het verval doorvorsend en vastbesloten, deze innerlijke oorzaken uit de weg te ruimen. Ik geloof, dat wij hier in de eerste plaats daar moeten beginnen, waar per slot van rekening thans het begin moet zijn: namelijk bij de Staat zelf.

Er moet een nieuwe autoriteit worden opgericht

en deze autoriteit moet onafhankelijk zijn van de ogenblikkelijke stromingen van de tijdgeest, vooral onafhankelijk van de stromingen, die het economisch begrensde en beperkte egoïsme te voorschijn laat treden. Er moet een staatsleiding ontstaan, die een werkelijke autoriteit betekent en wel een autoriteit, die niet afhankelijk is van welke laag der maatschappij ook. Er moet een staatsleiding ontstaan, in welke iedere burger het vertrouwen kan hebben, dat zij niets anders wil, dat het geluk van het Duitse volk, een staatsleiding, die tegelijker tijd het recht heeft, om van zichzelf te zeggen, dat zij naar elke richting onafhankelijk is.

Men heeft zoveel gesproken over het absolutistische tijdperk van het verleden, over het absolutisme van Frederik de Grote en het democratische tijdperk van onze parlementaire epoche. Van het standpunt des volks beschouwd was de toenmalige tijd de objectievere. Deze kon werkelijk de belangen der natie objectiever behartigen, terwijl de latere tijd steeds meer en meer tot zuivere belangenvertegenwoordiging van enkele standen afdaalde. Dat wordt door niets scherper bewezen, dan door het denkbeeld van de klassenstrijd op zichzelf, namelijk door het parool: de heerschappij van de bourgeoisie moet worden afgelost door de heerschappij van het proletariaat, dat betekent dus: het gaat alleen maar om een afwisseling der dictatuur van klassen of standen,

terwijl wij de dictatuur van het volk willen, d. w. z. de dictatuur van het geheel, van de gemeenschap.

Wij beschouwen niet als beslissend een levenspositie, een levensstand; in het lot en in de tijd der eeuwen vergaat zo iets. Dat komt en verdwijnt. Wat blijft, is de substantie zelf, een substantie uit vlees en bloed: ons volk. Het is het zijnde en het blijvende en daaraan alleen moet men zich verantwoordelijk voelen. Slechts dan zal men de eerste voorwaarde scheppen om ook onze ergste economische schade te helen. Dan alleen zal men voor de miljoenen mensen weer de overtuiging levend laten worden, dat de Staat niet de belangenvertegenwoordiging is van een groep of een stand en dat de regering niet is de belangenbeheerder van een groep of een stand, doch dat zij is de belangenbeheerder van het volk zelf. Als er op de enen of op de anderen kant mensen zijn, die menen, zich daar niet in te kunnen schikken, dan zal de nieuwe autoriteit haar wil tegen die ene of die andere zijde door moeten zetten. Zij zal het allen tot bewustzijn moeten brengen, dat zij niet soms haar autoriteit afleidt van de goeden wil van dezen of genen stand, doch dat zij deze autoriteit afleidt uit een wet. En die wet heet: Noodzakelijkheid tot behoud van het volksdom als zodanig!

En verder: Het is noodzakelijk, dat men alle verschijnselen uit de weg ruimt, welke menselijke zwakte bewust misbruiken, om met behulp daarvan een dodelijk voornemen door te kunnen voeren. Als ik 14, 15 jaar geleden en sedertdien telkens opnieuw aan de Duitse natie heb verklaard, dat ik

het als mijn taak in de Duitse geschiedenis beschouw, het Marxisme te vernietigen,

dan is dat geen frase, doch een heilige gelofte, die ik zal vervullen, zolang ik nog maar een ademtocht kan doen!

Ik heb deze belijdenis, de belijdenis van een enkel man, tot de belijdenis van een geweldige organisatie gemaakt. Ik weet het nu: ook als het noodlot mij persoonlijk weg zou roepen, zou deze strijd verder worden voortgezet en geen einde meer nemen, daarvoor staat mij deze beweging borg. Deze strijd is voor ons niet soms een worsteling, die door het een of andere twijfelachtige vergelijk zou kunnen worden beëindigd. Wij zien in het Marxisme de vijand van ons volk voor ons, dien wij vernietigen, tot de laatste wortel uitroeien zullen, consequent, onbarmhartig!

Wij weten ook, dat in het economisch leven de belangen maar al te vaak tegenover elkander schijnen te staan, dat zich de arbeider benadeeld voelt, dat hij dikwijls ook benadeeld is en dat de ondernemer zich bedreigd ziet en ook wel vaak bedreigd is, dat wat voor de een winst schijnt te zijn, voor het ongeluk van de ander wordt gehouden en wat voor de ene mens een succes is, voor de ander menigmaal de ondergang betekent. Wij weten en zien dat en wij weten ook, dat de mensen ten allen tijde daaronder hebben geleden. Maar juist daarom is het des te gevaarlijker, wanneer een organisatie alleen maar ten doel heeft, deze vreselijke verschijnselen des levens er bewust toe te gebruiken, om het gezamenlijke volk te vernielen. Omdat dit zo is, moet een organisatie vernietigd en een leer uitgeroeid worden, die deze natuurlijke zwakheden, die hun wortel hebben in de onvolkomenheid des mensen, misbruikt. Want wij weten heel goed, dat het uiteindelijk doel van deze ganse ontwikkeling, neen, van dezen strijd tussen hand en hoofd, tussen massa, d. w. z. aantal en kwaliteit is: vernietiging van de kwaliteit, van het hoofd. Dat betekent echter geenszins zegen voor het aantal, laat staan omhoogkomen van de arbeider, doch dat betekent ellende, jammer en nood, betekent definitief verval.

Wij zien de economische nood en zijn geenszins kinderen, die menen, dat de moeilijkheden door een zich willen beteren van vandaag op morgen uit de weg kunnen worden geruimd. Wij houden ook rekening met de menselijke onvolkomenheid, die de mensen telkens en telkens weer een poets zal bakken en de beste gedachten, de beste voornemens zo vaak eenvoudig weer teniet doet. Maar wij hebben de vasten wil en het onwrikbare opzet, het dientengevolge niet maar tot een ineenstorting te laten komen, doch in tegendeel telkens en telkens weer tegen deze verschijnselen te strijden - het ganse leven is een strijd - tegenover hen het verstand te plaatsen en het gemeenschappelijk belang op de voorgrond te zetten. Als dit ook op het ogenblik dikwijls mislukt - was vandaag niet slaagt, moet dan morgen slagen! En als iemand ten antwoord geeft: gelooft gij dan, dat het lijden ooit zal vergaan?, dan antwoord ik hem: als ooit de tijd komt, dat er op de wereld geen onvolkomen mensen meer zijn, dan ja. Daar ik echter vrees, dat de onvolkomenheid van de mensen blijft, zal ook hun lijden blijven. Men kan niet van één generatie uit de dingen voor alle eeuwigheid in orde maken.

Elk volk heeft de plicht, voor zichzelf te zorgen. Elk tijdperk heeft de taak, zijn zwarigheden zelf te redderen. Denkt niet, dat wij soms voor de toekomst alles weg zullen nemen. Neen, neen, wij willen immers onze jeugd ook niet opvoeden tot luie parasieten des levens of tot laffe genieters van hetgeen anderen hebben geschapen. Neen, wat gij bezitten wilt - gij moet het u steeds weer opnieuw verwerven, steeds weer moet gij opnieuw strijden. Daartoe willen wij de mensen opvoeden. Wij willen hun van meet af aan niet de dwaalleer bijbrengen, dat deze worsteling soms iets onnatuurlijk of iets de mensen onwaardigs zou zijn; in tegendeel, wij willen hun bijbrengen, dat deze worsteling de eeuwige voorwaarde voor de selectie is, dat er zonder de eeuwigen strijd geen mensen zouden zijn. Neen, wat wij tegenwoordig doen - dat doen wij voor ons!

Doordat wij voor het heden de nood aan banden leggen, werken wij voor de toekomst,

daar wij aan onze nakomelingen tonen, hoe ook zij het moeten doen, evenals wij immers slechts uit het verleden dat kunnen leren, wat wij heden moeten doen. Als de generatie vóór ons zo had gedacht, als men het ons zo graag zou willen wijsmaken, dan waren wij thans niet hier. Ik kan niet voor de toekomst iets als juist erkennen , dat ik in het verleden als verkeerd moest kwalificeren. Wat mij en ons het leven geeft, dat moet ook juist zijn voor het leven van onze nakomelingen. Wij zijn daarom ook verplicht, dienovereenkomstig te handelen.

Wij moeten dus tot de laatste consequentie de strijd opnemen tegen het verschijnsel, dat ons Duitse volk in de laatste 17 jaar heeft stukgevreten, dat ons zo 'n vreselijke schade heeft berokkend en dat, als het niet overwonnen was geworden, Duitsland zou hebben vernietigd. Bismarck heeft eens verklaard, dat het liberalisme de gangmaker voor de sociaaldemocratie was. Ik behoef hier niet te zeggen, dat de sociaaldemocratie de gangmaker voor het communisme is.

Het communisme echter is de gangmaker voor de dood, voor de volksdood, voor de ondergang.

Wij hebben de strijd daartegen opgenomen en wij zullen dien ten einde voeren. Gelijk zo dikwijls in de Duitse geschiedenis zal weer eens blijken, dat het Duitse volk, hoe groter de nood wordt, des te meer de kracht heeft, om de weg naar boven en vooruit te vinden. Het zal dien ook dit keer vinden, ja, ik ben ervan overtuigd, het heeft de weg reeds betreden!

Hiermede kom ik aan de derde maatregel: de bevrijding van de nu voorshands als bestaand te beschouwen verenigingen van de invloed der genen, die menen, in deze verenigingen een laatste defensiepositie te bezitten. Zij moeten zich ook wat dat betreft aan geen dwaling overgeven. Dat, wat zij bouwden, achten wij verkeerd. Wij zien echter, dat de Duitse genius zelfs tegen de wil van die bouwmeesters in ook hier in miljoenen afzonderlijke mensen langzaam een gevoel opwekte, dat ook uiterlijk in geweldige organisaties zijn uitdrukking heeft gevonden. Zijzelf zouden die organisaties hebben vernield. Wij nemen ze hen af, niet om alles voor de toekomst te conserveren, doch om voor de Duitse arbeider alles te redden, wat hij hierin aan spaarpenningen heeft belegd en verder, om de Duitse arbeider bij de vormgeving der nieuwe toestanden als gelijkgerechtigde mee te laten werken, om hem de mogelijkheid te geven, als gelijkgerechtigde mee op te treden. Tegen hem zal geen Staat worden gevormd; neen, mét hem zal die ontstaan!

Hij mag niet het gevoel hebben, hier als verdoemd, geschonden en in de ban gedaan te gelden. Neen, in tegendeel: Wij willen hem van meet af aan, reeds in dezen tijd van wording en vormgeving, het gevoel inenten, dat hij een Duitser met gelijke rechten is. En gelijk recht is in mijn ogen nooit iets anders, dan de blijmoedige aanvaarding der gelijke plichten.

Men spreke niet steeds alleen van recht, doch men spreke dan tevens van de plicht.

De Duitse arbeider moet bij de miljoenen der andere zijde de mening uit de weg ruimen, alsof hij soms innerlijk vreemd zou staan tegenover het Duitse volk en zijn verheffing. Zeker zullen er elementen zijn, die dat niet willen. Die zijn er echter ook aan de rechterzijde van ons volk. Over hen allen zal het lot tot de orde van de dag overgaan.

De mensen in Duitsland zullen elkander vinden, die met heilig hart en ganse oprechtheid niets anders willen, dan de grootheid van hun volk. Zij zullen ook onder elkaar tot overeenstemming komen, zij zullen elkander ook onderling verstaan, en als menigmaal wellicht de twijfel terugkeert en de harde werkelijkheid een streek zou uithalen, dan willen wij de eerlijke makelaars zijn.

Dan zal het de taak der regering zijn, als eerlijkste en redelijkste makelaar de banden, die zich los willen maken, weer in elkaar te leggen

en het Duitse volk telkens en telkens weer tot bewustzijn te brengen: Gij moogt niet boos op elkaar worden, gij moogt niet wegens uiterlijkheden breken, gij moogt elkaar niet eenvoudig verlaten, omdat de ontwikkeling door de eeuwen heen misschien wegen is gegaan, die wij op zichzelf niet als gelukkig kunnen beschouwen, doch gij moet u steeds en steeds weer voor ogen houden, dat gij allen de plicht hebt, uw volksdom te behoeden. Dan zal zich een weg laten vinden - er moet een weg gevonden kunnen worden! Men kan niet zeggen: de weg tot leven van de natie is onmogelijk geworden, omdat het uur misschien moeilijkheden bereidt. Het uur zal voorbijgaan, maar het leven moet zijn en zal zijn.

Hiermede heeft de samenvatting van de Duitse arbeidersbeweging een grote morele zin. Wij willen, als wij thans de nieuwen opbouw van de Staat doorvoeren, die het resultaat zal zijn van zeer grote concessies aan weerskanten, dat er twee contractpartijen tegenover elkander staan, die beide in hun hart principieel nationaal denken, die beide principieel alleen hun volk voor zich zien, die beide principieel bereid zijn, om alles verder achteraf te zetten, om dit gemeenschappelijk nut te dienen. Want slechts als dat van meet af aan reeds mogelijk is, geloof ik aan het succes van zulk een daad.

Hier is ook mee beslissend de geest, waaruit de daad geboren wordt. Hier mogen geen overwinnaars en overwonnenen zijn, behalve een enkele overwinnaar: ons Duitse volk!

Overwinnaar over de klassen, overwinnaar over de standen en overwinnaar over de belangen dezer afzonderlijke groepen van ons volk. En daardoor zullen wij dan vanzelf weer tot een veredeling van het begrip arbeid komen. Ook dat is een taak, die niet van heden op morgen kan worden verricht. Zoals hier vele eeuwen langzamerhand een begripswijziging bewerkten, zullen er ook eeuwen nodig zijn, om aan het Duitse volk deze begrippen weer in hun oorspronkelijkheid te bemiddelen. Onwrikbaar zal het echter het doel zijn van de beweging, die ik en mijn medestrijders vertegenwoordigen, om het woord arbeider tot de grote eretitel der natie te verheffen. Niet voor niets hebben wij dit woord in de kenmerking van onze beweging ingevoegd - geenszins, omdat dit woord ons eenmaal groot voordeel zou hebben verschaft! In tegendeel, haat en vijandschap aan de enen en misverstand aan de anderen kant verschafte het ons. Maar wij hebben dit woord gekozen, omdat wij met de zegepraal van onze beweging ook dit woord zegevierend omhoog wilden heffen.

Wij hebben het gekozen, opdat zich met dit woord ten slotte naast het begrip volk de tweede basis vinden: de vereniging der Duitse mensen. Want wie werkelijk van edelen wille is, kan niet anders, dan zich fier tot dit woord bekennen.

Ik ben op zichzelf een vijand van de aanvaarding van alle eretitels en ik geloof niet, dat men mij wat dat betreft eenmaal veel zal kunnen verwijten. Wat ik niet beslist moet doen, doe ik niet. Ik zou mij ook zeker nooit visitekaartjes willen laten drukken met de onderscheidingen, die iemand op deze aardse wereld zo roemvol worden verleend. Ik zou op mijn grafsteen niets anders willen hebben, dan mijn naam. Maar ik ben nu eenmaal door mijn eigenaardige levensweg misschien meer dan elk ander bevoegd, om het wezen en het ganse leven van de verschillende Duitse stammen te begrijpen, niet, omdat ik dat leven van boven af heb kunnen waarnemen, doch omdat ik het zelf heb meegeleefd, omdat ik midden in dit leven heb gestaan, omdat het lot mij in zijn luimen of misschien ook uit voorziening eenvoudig midden in deze massa volk en mensen heeft geworpen.. Omdat ik zelf jarenlang als arbeider in de bouwvakken heb gewerkt en mijn brood moest verdienen. En omdat ik toen weer voor de tweede keer temidden van deze brede massa stond als gewoon soldaat en omdat het leven mij daarop verhief in de andere lagen van ons volk, zodat ik ook deze beter ken, dan talloze, die in deze lagen geboren zijn. Zo heeft het lot mij misschien meer dan enig ander ertoe bestemd, om de - ik mag dit woord voor mij gebruiken - de eerlijke makelaar te zijn,

de eerlijke makelaar naar elke richting.

Ik heb hier geen persoonlijke belangen; ik ben noch van de Staat afhankelijk, noch van een openbaar ambt, noch ben ik afhankelijk van de industrie en ook niet van de een of andere vakvereniging. Ik ben een onafhankelijk man en ik heb mij geen ander doel gekozen, dan naar mijn vermogen en kunnen het Duitse volk te dienen - en daarbij vooral de miljoenen mensen te dienen, die dankzij hun goedgelovigheid, hun onwetendheid en de slechtheid van hun vroegere leiders wellicht het meest geslagen zijn.

Ik heb mij steeds bekend tot de opvatting, dat er niets schoners bestaat, dan de advocaat te zijn van hen, die zichzelf niet goed kunnen verdedigen.

Ik ken dit brede volk en zou tot onze intellectuelen steeds maar één ding willen zeggen: Elk Rijk, dat gij slechts bouwt op de kringen van het intellectuele verstand, is zwak gebouwd!

Ik ken dit verstand: eeuwig spelend met hun vernuft, eeuwig vorsend, maar ook eeuwig onzeker, eeuwig wankelend, beweeglijk, nooit vast! Wie op deze intellectuele kringen alleen een Rijk wil bouwen, zal zien, dat hij niet hecht bouwt. Het is geen toeval, dat de godsdiensten stabieler zijn, dan de staatsvormen. Zij plegen meestal hun wortels dieper in de aarde te slaan; zij waren in 't geheel niet denkbaar zonder dit brede volk. Ik weet, dat de intellectuele kringen maar al te gemakkelijk worden aangetast door de hoogmoed, dit volk naar maatstaf van hun weten en hun zogenaamd verstand te meten; en toch zijn er hier dingen, die dikwijls het verstand van de verstandige niet ziet, omdat het ze niet zien kan.

Dit brede volk is echter zeker vaak log en is zeker in menig opzicht achterlijk en niet zo beweeglijk, niet zo geestig en zo intellectueel. Maar iets heeft het: het heeft trouw, het heeft standvastigheid, het heeft stabiliteit.

Ik kan wel zeggen: De overwinning van deze revolutie ware nooit gekomen, als niet mijn makkers, de brede massa van onze kleine volksgenoten, in ongehoorde trouw en onwankelbare standvastigheid achter ons hadden gestaan.

Ik kan mij ook maar niets beters voor ons Duitsland denken, dan dat het gelukt, nu deze mensen, die ook buiten onze strijdrijen staan, in te leiden in de nieuwen Staat en hen te vormen tot een dragend fondament van de nieuwen Staat.

Een dichter heeft eens het woord gesproken: „Duitsland zal het grootst zijn, als zijn armste zonen zijn trouwste burgers zijn." Ik heb nu deze armste zonen 4 1/2 jaar leren kennen als musketiers in de grote wereldoorlog; ik heb leren kennen hen, die misschien in 't geheel niets voor zich te winnen hadden en die eenvoudig uit de stem des bloeds, uit het gevoel van tot het volk te behoren, helden zijn geweest.

Geen volk heeft meer recht, om monumenten op te richten voor zijn onbekende musketier, dan ons Duitse volk. Deze onwrikbare garde, die in talloze veldslagen stand heeft gehouden, die nooit wankelde en nooit week, die duizend voorbeelden van een ongehoorde moed, een trouw, een offervaardigheid, een discipline en een gehoorzaamheid heeft gegeven, moeten wij voor de Staat veroveren, moeten wij voor het komende Duitse Rijk, voor ons Derde Rijk winnen. Dat is misschien mede het kostbaarste, wat wij het kunnen geven.

Omdat ik echter dit volk beter ken, dan wie dan ook, die tevens het overige volk kent, ben ik in dit geval niet slechts genegen, deze eerlijke makelaarsrol op mij te nemen, doch ik ben er gelukkig om, dat het lot mij deze rol kan toedelen.

Ik zal geen grotere trots in mijn leven bezitten dan dien, eens aan het eind van mijn dagen te kunnen zeggen:

Ik heb voor het Duitse Rijk de Duitse arbeider veroverd!

Hosted by www.Geocities.ws